Flexibiliteit en inclusie

ProfielfotoErik Dannenberg 03-07-2017
449 keer bekeken 0 reacties

Voor het slagen van die gebiedsgerichte aanpak is netwerkvorming, afstemming en samenwerking cruciaal. Willen stad en land in Overijssel samen op weg gaan, dan vraagt dat om een ‘solidair bestuurlijk samenwerkings klimaat’, oftewel inclusief werken. Een vorm van samenwerking waarbij stad en land elkaar in thematische gelegenheidscoalities aanvullen. De opgave moet daarbij centraal staan oftewel ‘commitment op de inhoud, ontspannen in de relatie’. Door elkaar rond een bepaald thema op streekniveau te ontmoeten, leren buurgemeenten elkaar beter kennen en ontstaat het vertrouwen dat nodig is om samen aan de slag te gaan.

De Streekwijzer is hiervan alvast een concreet resultaat.

Klik hier om naar de Streekwijzer pagina te gaan.

Recent wandelde ik door de Mijnstreek van Zuid-Limburg. Op een heuvel staat een betonnen paaltje met een geel plaatje met het woord GASUNIE en een Gronings telefoonnummer. Tags: inclusiviteit, samenleving, zorgsector.

Vastgoedtransformaties ten gevolge van maatschappelijke transformaties

 

Achter deze kleine aanwijzing gaat een enorme transformatie schuil van de energievoorziening in Nederland. In Limburg hoef je niet uit te leggen wat de gevolgen waren van deze verandering. Massawerkloosheid, ontwikkelingsachterstanden, wegtrekkende jeugd, leegstaande winkels en woningen, krimpende scholen. Gas was toen een oplossing, maar is nu een probleem aan het worden door aardbevingen en klimaatverandering. Nu zie je overal windturbines verrijzen. De warmtewisselaar doet z’n intrede en de CV-ketel zal verdwijnen. Het ging immers niet om kolen en gas, maar om energie en warmte.

 

 

Reageren op deze kookles? Dat kan onderaan de pagina.

Meer lezen over dit onderwerp? Klik dan door naar bijbehorende recepten:

Inclusief geloof in elkaar - Janine Verhoef

Doe maar! - Ineke Buursink

Gildesteun - Caroline Coumans

Nieuwe wereldmix - Henk de Jager

Samenspraak - Gert Jan Meijer

 

Ook in de muziekindustrie zien we opeenvolgende veranderingen van LP naar cassettebandje, CD en iPod. Inmiddels streamen we muziek via Spotify. Hele industrietakken komen op en verdwijnen, terwijl de achterliggende vraag niet verandert, namelijk de wens om mooie muziek te horen. Wie dat het makkelijkst en het meest mobiel weet te organiseren wint de slag in de markt.

 

Op eenzelfde wijze kun je kijken naar hoe een samenleving ‘solidariteit’ organiseert. Solidariteit met kwetsbaren kenmerkt onze samenleving al eeuwen. De manier waaróp we dat organiseren verandert met de tijdperken.

 

Waar aanvankelijk ouderen en gehandicapten vooral aangewezen waren op zorg van de (grote) gezinnen en families, kenden we daarna een periode waarin burgers zichzelf organiseerden in maatschappelijke verbanden. Kerken en arbeidersbewegingen realiseerden armenzorg, thuiszorg, hulp voor ontspoorde jongeren. Er kwamen ouderinitiatieven voor gehandicapte jongeren, er ontstonden reclasseringsverenigingen voor het rehabiliteren van mensen die op het verkeerde pad waren geraakt en er werden allerlei centra en tehuizen gesticht voor bepaalde doelgroepen. Lokaal gekende besturen gaven er leiding aan en de samenleving was sterk betrokken via vrijwilligerswerk. Vaak was er sprake van enige gemeentelijke subsidie.

 

Toen het Rijk rijk werd door verkoop van aardgas volgde er een enorme centralisatie van zorgtaken. Een systeemwijziging, zo ingrijpend als de hiervoor genoemde omslagen in de techniek. Liefdadigheid en gunst werden vervangen door een wettelijk recht.

De verplichte volksverzekering Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voorzag in zorg voor chronisch zieken en gehandicapten. De Awbz werd gaandeweg uitgebreid met dagbesteding en begeleiding, tot uiteindelijk zelfs huishoudelijk werk onder het begrip ‘zorg’ viel. Voor jeugdzorg, speciaal onderwijs, arbeidsongeschiktheidsregelingen en sociale werkvoorziening gebeurde iets vergelijkbaars. Het kwam er steeds op neer dat als iemand hulp nodig had, er een recht op zorg of ondersteuning ontstond. De manier om dat te ‘claimen’ was dat je moest aantonen wat er aan de hand was. De bijbehorende taal werd ‘medisch’. Het ging over handicaps, beperkingen, stoornissen, ziektebeelden. Dat was de enige manier om een ‘indicatie’ te krijgen. De formulieren gingen over wat mensen niet konden, of mankeerden. Ouders die hulp zochten voor hun kind werd aangeraden niets positiefs over hun kind op te schrijven, want dat zou ten koste gaan van de indicatie.

Hulp werd daardoor reactief ingezet en nauwelijks preventief. Niemand hielp een angstig kind, pas bij een ‘angststoornis’ kon er hulp geboden worden. Niemand hielp een oude vrouw die wat verward was, pas als de diagnose ‘dementie’ er was, kon hulp geboden worden. De spaarkaart met ellende moest eerst volgeplakt zijn voordat de indicatie verkregen kon worden.  

 

Gelijktijdig met de opbouw van het verzekeringssysteem kwam een fusiegolf op gang, waardoor grote, bovenregionale en landelijke zorgorganisaties ontstonden. Nederland maakte meer dan alle landen om ons heen instituties, waar deskundigheid geconcentreerd was. Wie wat mankeerde, werd daarheen gebracht. Vrijwilligers werden vervangen door professionals en woorden als barmhartigheid en charitas werden vervangen door productiecijfers en bezettingspercentages.

 

integration-inclusion-exclusion-separation-schema-31511896.jpg

 

Het plaatje laat zien hoe een samenleving om kan gaan met zorgbehoevende mensen. Als de groene stipjes de ‘normale mensen’ zijn en de rode stipjes ‘de mensen waar iets mee is’, dan bepalen structuren en culturen waar de zwarte lijnen getrokken worden.

Nederland kent veel uitvallers omdat de systeemeisen hoog zijn in onderwijs, arbeidsmarkt en woningmarkt. Een complexe samenleving vraagt veel vaardigheden om mee te kunnen komen. Maar, solidair als we zijn, we helpen de uitvallers wel, maar meestal in een net iets buiten de samenleving geplaatste organisatievorm. Ouderenzorg, jeugdpaviljoens, speciaal onderwijs, sociale werkvoorziening, opvanghuizen voor daklozen, instellingen voor gehandicapten, psychiatrisch patiënten enzovoort. Opgestuwd door de rijksfinanciering hadden we in Nederland uiteindelijk twee keer zoveel ouderen in instituten als andere ontwikkelde landen, drie tot tien (!) keer zoveel ‘bedden’ voor psychiatrisch patiënten, zo’n 130.000 kinderen in speciale vormen van onderwijs (én nog ruim 10.000 ‘thuiszitters’), is Nederland bijna kampioen uithuisplaatsing van kinderen in de Jeugdzorg en werken er drie keer zoveel mensen in een sociale werkplaats als het eerstvolgende land op de ranglijst.

Vooral in de zorg is opvallend dat mensen daarbij vooral werden ‘gesorteerd’ op hun beperking. Wie wat mankeert, komt te zitten tussen mensen met dezelfde handicap. Zo waren de geldstromen en de instellingen immers georganiseerd.

Het vastgoed heeft deze inhoudelijke en financiële ordening gevolgd. Veel ontwikkelaars, beleggers en woningcorporaties hebben de ontwikkelingen in jeugdzorg, onderwijs, zorg en arbeidsmarkt gefaciliteerd. Daardoor hebben we, vergeleken met andere ontwikkelde landen, veel vastgoed voor bepaalde doelgroepen. Dat is het plaatje rechtsboven.

 

Nadelen van het model rechtsboven zijn de lange en moeilijke weg voordat je tot de voorziening wordt toegelaten, dat er nauwelijks expertise beschikbaar is in de gewone leefwereld en dat de samenleving niet meer leert om met diversiteit om te gaan. Het kind met een zorgvraag of met moeilijk gedrag verdwijnt uit de klas. De vreemde buurtbewoner gaat naar een instelling.

 

Maar het model ‘verzorgingsstaat’ met z’n vele instituties en geringe ambulante en mobiele oplossingen raakt aan z’n eind. Er ontstaat een volgende fase, waarbij termen als ‘participatie’ en ‘inclusie’ passen. We blijven solidair met kwetsbare mensen, maar de organisatiewijze zal sterk veranderen. Dit zal grote impact hebben op organisaties én op vastgoed.

 

We gaan minder vaak mensen naar gebouwen brengen en vaker ondersteuning organiseren in het gewone leven, wonen en werken. Het heet dan ‘passend onderwijs’, of ‘inclusieve arbeidsmarkt’ of ‘inclusieve stad’. Het verdrag voor rechten van personen met een beperking is in 2016 eindelijk ook door Nederland geratificeerd. En we zien de trend overal om ons heen:

Verzorgingshuizen komen leeg te staan, jeugdzorgpaviljoens in de bossen raken leger, speciale scholen krimpen omdat meer ondersteuning in de gewone scholen wordt ingezet en van de sociale werkplaatsen blijft alleen het beschut werk over. Vooral nu veel taken in 2015 gedecentraliseerd zijn naar gemeenten gaat het echt hard. Er worden lokaal oplossingen gevonden om preventiever te werken door om het hele ecosysteem rond kwetsbare personen te versterken. En er ontstaat meer ‘maatwerk’. Het mooie van de hele beweging is dat we niet alleen kijken naar de kwetsbare kant van mensen (‘wat mankeer je?’) maar vooral ook naar hun participatiekant! ‘Waar zit je droom, je passie, wat wil je bereiken?’ Het blijkt dat deze benadering voor velen effectiever en hoopgevender is. Het gaat er om een plekje te vinden in de samenleving waar je unieke talenten tot hun recht komen. Iemand met ADHD is geen geschikte werknemer voor een apotheek, maar iemand met autisme kan er perfect passen! Duizenden medicijnnamen uit het hoofd leren en nooit fouten maken met klaarzetten. Een jongen met laag IQ die tot voor kort in een dagbesteding zat voor licht verstandelijk beperkten is gevraagd wat hij eigenlijk had willen bereiken. Piloot worden! Ze vonden voor hem een plek bij de bagageafhandeling op Schiphol, waar hij nu betaald werk heeft en selfies maakt onder de grote Jumbo’s. Hij kwam tot op 10 meter van zijn droom!

 

Deze trend is eigenlijk al jaren gaande. In de ouderenzorg wordt thuiszorg belangrijker dan verpleeghuizen, en verpleeghuizen worden kleinschalige voorzieningen in eigen dorp of wijk.  Er ontstaan groepsdetacheringen in de sociale werkvoorziening en er komt een kleine, speciale klas in de reguliere school. In de psychiatrie is beschermd wonen ontwikkeld, het model linksonder, maar het accent verschuift naar rechtsonder: bescherming bieden in de eigen (huur)woning. Het scheiden van wonen en zorg zal doorgaan tot het geografisch model (‘waar woon je?’) belangrijker wordt dan het doelgroepenmodel (‘wat mankeer je?’). De ‘ambulantisering’ verandert ook de taal: er komen wijkteams, de wijkverpleegkundige komt terug, men spreekt over ‘thuisnabij onderwijs’ en er komt loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidshandicap in gewone werkomgevingen. De samenleving, waarin wat ‘normaal’ is steeds kleiner is geworden, zal hier opnieuw aan moeten wennen. Dat gaat niet vanzelf goed. Dit vraagt wijsheid, communicatie en tijd. Tegelijkertijd ontstaan er tal van interessante (burger)initiatieven, die de gevestigde orde uitdagen. Zoals de Cd-speler niet is uitgevonden op de afdeling grammofoonplaten…

 

Het vastgoed zal deze trends gaan volgen met transformatie, kleinschaligheid en flexibiliteit. De goedbedoelde, maar segregerende hulpvarianten kunnen we terugschroeven tot - internationaal gezien – aanvaardbare proporties. We zullen moeten anticiperen om leegstand te voorkomen en in gaan spelen op trends zoals ‘Krasse Knarrenhofjes’ en domotica met service-, begeleidings- en toezichtmogelijkheden. Ik heb vaak gesprekken meegemaakt tussen zorg- en vastgoedmensen. Je moet er haast een tolk bijhalen om ze elkaar te laten begrijpen ;-) Daarom is het goed om, voor de fase van wijk- of vastgoedontwerp, te starten met een gezamenlijke visie op inclusie, de inclusieve stad, het inclusieve dorp. Willen we een samenleving zijn die gericht is op verbinding, op het in de ‘community’ houden van ieder mens? Zoals een wethouder afsprak met lokale ondernemers: we zorgen er samen voor dat niemand in ons dorp nog werkloos is. Een samenleving waar ieder, van jong tot oud, weet: ‘Ik hoor erbij, ik doe ertoe, ik kan meedoen’. Als we dát willen in de ‘software’ van onze samenleving, dan zal dat tot uitdrukking komen in de ‘hardware’ van het vastgoed.

 

 

Leestips:

http://agendastad.nl/citydeal/de-inclusieve-stad/

http://agendastad.nl/wp-content/uploads/2016/05/Jonker_TSB_15_6_lr.pdf

Afbeeldingen

0  reacties