De Woonkeuken brengt alles en iedereen bij elkaar

Eric van de Wetering 28-10-2020 167 keer bekeken 0 reacties

Er mag verschillend gedacht worden in de Woonkeuken. Sterker nog, dat wordt aangemoedigd en verwelkomd. En verschillen zijn er. Simpelweg omdat geen plek of situatie, geen stad of dorp in Overijssel hetzelfde is.

Het is een lappendeken van diversiteit, specifieke eigenschappen en lokale kwaliteiten; de verscheidenheid is groot. Het is daarom machtig interessant om te horen en mee te maken wat de deelnemers beweegt, wat ze belangrijk vinden, waar dat vandaan komt en wat ze willen bereiken. Juist het bij elkaar brengen van die verschillen en verscheidenheid is de voedende kracht in de onderlinge dynamiek en brengt het gesprek en de discussie verder – en daarmee ook de aanpak van al die grote uitdagingen en opgaves die op ons allemaal afkomen. Juist daarin ligt het verbindende gezamenlijk belang waar mensen zich op willen verenigen en organiseren. Voor het realiseren van een vitale provincie waar het goed wonen, werken en leven is, met perspectief voor iedereen. En met de juiste woning op de juiste plek.

De schaal waarop je dat overtuigend tegemoet kunt treden is de regionale aanpak. Daar wordt door de provincie Overijssel, in samenwerking met alle partners en belanghebbenden, vol op ingezet. Via het Ambitiedocument worden in het voorjaar van 2021 de Regionale Woonagenda’s opgeleverd. Daarin kan iedere regio, gebaseerd op zijn eigen specifieke kenmerken en situatie, zijn eigen antwoorden formuleren op wat daar speelt en nodig is. En leveren daarmee de gewenste kwaliteit die als een deksel past op de regionale vraag en omstandigheden. Zo landen de (boven)lokale en regionale verschillen in die Regionale Woonagenda’s en versterken en verbeteren de kwaliteiten en potentie van Overijssel. Met eenheid in verscheidenheid als belangrijk kenmerk.

De ontmoetingen van de Woonkeuken leveren een belangrijke bijdrage aan het gesprek en de gemeenschappelijke meningsvorming rond dit proces. En geeft, zoals altijd, ruimte aan alle meningen en standpunten om gezamenlijk scherpte en focus te krijgen op waar het werkelijk om gaat. Deze keer was dat op 14 oktober in de Nieuwe Buitensociëteit in Zwolle, direct tegenover het station. Met een digitale sessie, waarin alle belangstellenden en community-leden digitaal en interactief konden participeren. Maar dus ook live op locatie met twee tafels met interessante gasten en dito gesprekken, afgewisseld met filmpjes en bijdragen. Ik korte tijd, maar met hoog soortelijk gewicht, werden twee interessante thema’s uitgediept, waarmee weer inhoud en munitie is geleverd voor het proces naar de Regionale Woonagenda’s. De komende tijd zal daar in werkateliers verder aan gewerkt worden.

Vooraf
Na een warm welkom aan de kleine schare aanwezigen, maar vooral ook aan de digitale deelnemers, start tafel-host Jan Bart Wilschut met columnist Toine Heijmans. Heijmans, die ook de vorige bijeenkomst van de partij was en een mooie gesproken column afscheidde, zal dat ook nu weer doen. Gevraagd met welk gevoel hij hier zit, vertelt Heijmans dat hij blij was dat hij weer naar het Oosten mocht, maar zich, onderweg naar Zwolle, toch wel een beetje zorgen ging maken: hem viel op dat er nergens meer ruimte is, alles is enorm volgebouwd. Hij vroeg zich daarom af hoe Nederland er dan over 10 jaar zal uitzien, wetende dat er de komende tijd zoveel meer bijgebouwd gaat worden.

Digitale side-kick van dienst Sander van der Wal, nodigt de digitale deelnemers nadrukkelijk uit om mee te doen, te reageren en vragen te stellen zodat die input via hem in het tafelgesprek ingebracht kan worden. En hij daagt ze uit om hun ‘mooiste plekje van Overijssel’ als achtergrond in te stellen; wie de mooiste heeft volgens juryvoorzitter Marieke Mentink, zal de befaamde pan ontvangen.

Wat gaan we doen
De aftrap is aan gedeputeerde Monique van Haaf. Haar antwoord op de vraag waarom de Woonkeuken toch doorgang vindt terwijl er maar een hele kleine setting mogelijk is, is simpel. Wonen houdt ons allemaal bezig en we staan voor een grote opgave, die zowel bestuurlijk als in de markt gevoeld wordt. De Woonkeuken is van ons allemaal en bovendien een sterk netwerk – en dat moet onderhouden worden. Dus moeten we blijven samenwerken, bij elkaar blijven komen, in gesprek zijn en goede ideeën lanceren. En ook al is de setting hier beperkt, iedereen kan meedoen! Kernvraag die voorligt is ‘hóe gaan we samenwerken?’ Ook was Monique eerder die dag aanwezig op het Landelijk congres Flexwonen. De uitkomsten daarvan kunnen prima meegenomen worden in deze Woonkeukenbijeenkomst. Want bij het congres was samenwerken het sleutelwoord en de urgentie van voldoende woningen voor iedereen in alle segmenten hét gespreksonderwerp. Een opgave die door alle lagen gezamenlijk opgepakt moet worden: door Rijk, provincie, gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen.

Vlot formuleert ze 3 doelen voor de Woonkeuken van deze middag: 1) verder vorm geven van de Regionale Woonagenda’s, 2) dat de regio’s samen een programmering maken op basis van wat écht nodig is en 3) met elkaar afstemmen en de samenwerking opzoeken om te zorgen dat in zo’n woonregio de juiste woning op de juiste plek wordt gebouwd, op basis van de regionale vraag.

Dit zal allemaal aan bod komen met verschillende gasten aan 2 tafels.

Tafel 1. Regionale Woonagenda’s en versnelling woningbouw
De vragen die hier centraal staan zijn: Hoe staat het met de Regionale Woonagenda’s, het proces tot nu en een doorkijk naar het najaar? Hoe wordt dit ervaren vanuit een stedelijke en landelijke gemeente? En van Regionale Woonagenda’s naar uitvoering; wat is de impact van de Woningbouwimpuls en gebiedsontwikkelingen op het versnellen van woningbouw?

Johan Coes, wethouder van gemeente Wierden, vindt dat er een goed Ambitiedocument ligt, maar heeft het gevoel dat er teveel accent wordt gelegd op de steden en de stedelijke gebieden. Daar moet meer evenwicht in aangebracht worden, want daarin mist hij de aansluiting met de landelijke gemeenten. Wel ziet hij dat de primaire woonbehoefte die er lokaal is wordt gehonoreerd, maar de ambitie die de provincie heeft om extra woningen versneld te realiseren ziet hij niet terug voor een plattelandsgemeente als de zijne. Afstemmen vindt hij vanzelfsprekend, maar de wethouder wil wel straks een trigger zien in de Regionale Woonagenda’s om meer woningen te kunnen realiseren dan de lokale behoefte, hij wil graag een stapje erboven op, een plusje. Daarvoor is de erkenning nodig dat in landelijke gemeenten ook een verscheidenheid aan vraag is waar iets mee moet gebeuren.

Jan Martin van Rees, wethouder van gemeente Almelo, herkent ook bij zichzelf de eerst-naar-je-eigen-gemeente-kijken-reactie van zijn collega, maar benadrukt dat het zaak is om vervolgens over de dorpen en steden heen te kijken. Bovendien, de economische ontwikkeling concentreert zich in steden en rond infrastructuurpunten. Dáár moet bijgebouwd worden voor de toekomstige behoefte. En daar is dus een verschil tussen dorpen en steden. De overeenkomst is dat er ook voldoende moet worden bijgebouwd voor de eigen behoefte met passende woningen – dat geldt zowel voor steden als voor een dorp als Wierden.

Monique van Haaf benadrukt dat er geen sprake is van een tegenstelling tussen stad en dorp. Bij beide wethouders hoort ze de wil tot regionaal afstemmen, maar de vraag – en tevens de zoektocht – is wat de kleinere gemeenten kunnen toevoegen aan de Regionale Woonagenda’s. De steden moeten veel bouwen, maar daarin passen vaak niet alle segmenten. Daarin kunnen omliggende lokale plattelandsgemeenten betekenis toevoegen, waarmee ze echt iets te bieden hebben aan regionale versterking en diversiteit. Uiteindelijk gaat het om een goede woningprogrammering, daar moet je als regionale gemeenten samen naar kijken en goed afstemmen.

André ten Vergert, voorzitter van Platform Wonen Deventer, heeft een heldere boodschap. Zorg voor een goede afstemming tussen stad en platteland, stel met elkaar de goede prioriteiten en zorg voor duidelijkheid. Beslecht zo snel mogelijk de discussies, laat zien wat je wilt en leg dat open. Zo maak je snelheid en kunnen concrete en de goede stappen gezet worden.

De vraag wordt gesteld hoe je nu over het belang van je eigen gemeente heen kunt kijken naar wat er in je woonregio nodig is – in het geval van Wierden en Almelo gaat het dan om West-Twente.

Beide wethouders vinden dat je uit moet gaan van de behoefte van de eigen inwoners, iedere gemeente heeft zijn eigen woonvisie. Maar er is ook een instroom van buiten, juist dan is spreiding over de woonregio noodzakelijk, rekening houdend met de infrastructuur een voorzieningen. Maar voor kleine gemeenten is investeren in extra’s bovenop de eigen behoefte – hoe graag je het ook wilt – een te groot financieel risico. Johan Coes benadrukt dat daar aandacht voor moet zijn. Monique is blij dat dit punt gemaakt wordt. Zij zegt dat dit dus precies is waar het om gaat: stem dit soort zaken af met elkaar op regionaal niveau. Breng je extra ambities in en kijk hoe het in het geheel kan passen. En de provincie kan daarbij helpen met expertise en inzet om zo te komen tot 100% uitvoering van wat werkelijk nodig is, dat is immers het doel.

Een mooi moment om Sjors de Vries, de in het publiek aanwezige procesbegeleider van de Regionale Woonagenda’s te vragen naar de stand van zaken. Met de inpassing van de tot nu toe geleverde feedback, waaronder meer aandacht voor de plattelandsgemeenten, is het zover klaar dat het raamwerk van de Regionale Woonagenda’s nu besproken wordt in de regio’s in zogenaamde werkateliers. Het tempo zit er goed in.

De tafelgasten krijgen de vraag hoe die Regionale Woonagenda’s versterkt en concreet gemaakt kunnen worden in de praktijk. André ten Vergert houdt het bij dezelfde boodschap. Als marktpartijen moeten zij een bijdrage leveren aan de voorkant van het proces en inzicht verschaffen in de kwaliteit van de plannen. Zaken als differentiatie en dergelijke moeten goed besproken worden en de consequenties van die programmering aan de voorkant delen. En het gaat niet alleen om woningen, maar ook om woonomgeving. Transparantie, dat is belangrijk. Alle issues en hobbels moeten duidelijk op tafel komen, dat verschaft helderheid aan elkaar en daarmee wordt het tempo erin gehouden. Jan Martin van Rees pleit voor een regionale spreiding van sociale woningbouw over de hele regio, dus ook in de dorpen, maakt het punt dat hij vindt dat het mogelijk moet zijn dat mensen kunnen wonen waar ze willen wonen, en ziet de verduurzaming van de woningvoorraad als een mooi aangrijpingspunt om op het gebied van de sociale leefbaarheid een regionale koppeling te maken. Als je meerdere zaken op deze manier in regionaal verband agendeert kun je slagen maken. In Wierden is het aanbod van sociale huurwoningen juist in balans. Daarin verschilt het van Almelo. Maar natuurlijk zijn ze in Wierden ook bezig met vernieuwing en verduurzaming. En om dat te realiseren is de eerder genoemde plus nu juist nodig, laat Johan Coes weten.

Ook in dit verschil ziet de gedeputeerde een goede reden om juist te kijken naar regionale spreiding om goed af te stemmen waar en in welke sectoren behoefte is én de vraag gerealiseerd kan worden – zo heb je elkaar wat te bieden. En zorg je voor een goed en divers woningaanbod in de hele regio. Voorkomen moet worden dat 2 gemeenten naast elkaar precies hetzelfde gaan doen in dezelfde sector. Nogmaals benadrukt ze: stem af met elkaar!

Wethouder Coes maakt van de gelegenheid gebruik om een belemmering aan te kaarten van de Woningbouwimpuls van het Rijk. Wil je daarvoor in aanmerking komen is een plan voor 500 woningen de ondergrens. Voor alles wat daaronder krijg je geen geld. Op de schaal van Wierden is dat onwerkbaar, het risico is gewoon te groot. Hij vraagt Monique rechtstreeks of het niet mogelijk is om de grens naar beneden te schroeven, zeg 250 woningen en of ze dat kan aankaarten in Den Haag. Op haar beurt zegt ze het idee te begrijpen, maar ze weet dat die impulsgelden dáár worden ingezet waar de woningnood het grootst is. Als Wierden wil meeprofiteren dan zal het wellicht wel kunnen en invulling krijgen op basis van regionale plannen. Johan begrijpt dat, maar hij wil graag weten hoe je in de Regionale Woonagenda’s meer faciliteiten krijgt om dingen toch gerealiseerd te krijgen die niet kunnen door dit soort beperkingen.

Hierbij komt de expertise van Jeroen Hatenboer, kwartiermaker van Aanjaagteam Wonen Overijssel goed van pas. Via een digitale verbinding zegt hij klip en klaar dat de regeling van de Woningbouwimpulsgelden daar niet in voorziet en ook niet aangepast zal worden. Hij ziet meer kansen in het beter samenwerken, dat kan ook veel opleveren. Slimmer worden met elkaar om dingen te doen en niet naar elkaar kijken en denken ‘ik wil het geld’ – nee, kijk naar wat kunnen we zelf! De discussie tussen Almelo en Wierden volgt hij met interesse. Ook hij pleit dus voor samenwerken op regionaal gebied, hij is ervan overtuigd dat daar veel oplossingen liggen. Wel zegt hij dat het om veel meer gaat dan bouwen alleen, dat moet geen doel op zich zijn. Het gaat veel meer om leefbaarheid in de steden en de dorpen en vooral de samenhang daartussen. Breng daarom nadrukkelijk ook de maatschappelijke businesscase in, die wordt vaak vergeten. Elke gemeente moet vitaal blijven, dat is waar het om gaat. En daar is een samenhangend verhaal voor nodig, voor een ruim woongebied. En dat krijg je alleen maar als je je verbindt met elkaar. Zorg dat je niet alleen handelt als gemeente, zoek de samenwerking. Dus Wierden en Almelo, ga met elkaar aan tafel, zoek samen de plus op. Dát is wat werkt: écht concreet dingen oplossen en kijken wat nodig is dat ieder zijn zin en behoefte vervuld ziet – en dat kan deels in de Regionale Woonagenda’s. Johan Coes trekt zijn conclusie: voor de plus die hij graag wil is de Regionale Woonagenda nodig, dat wordt spannend, maar daarvoor wil hij graag aan tafel. En als er problemen of obstakels zijn, dan wil Hatenboer graag zijn instrumenten van het Aanjaagteam inzetten om versnelling te brengen, zegt hij. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld gebruik maken van een adviesgesprek, 100 uur kennisondersteuning krijgen, of extra handen erbij krijgen vanuit een flexpool. Er is veel mogelijk, dus neem contact op en maak er gebruik van, nodigt hij uit.

Oproep
In het programma is even ruimte gemaakt voor een oproep van Michel ten Hag, makelaar en lid van het algemeen bestuur van de NVM, die geheel in de gedachte van de regionale aanpak past. Hij is enthousiast over het functioneren van de overleggen met de provincie en de gemeenten, dat gaat goed. Voor hem is het duidelijk, de woningmarkt gaat over gemeentegrenzen heen. Als je het goed wilt doen, versterk dan die regionale bedding met nieuw samen te stellen Regionale Woonkeukens, die gewoon kunnen draaien naast onze bekende Woonkeuken. De manier van werken en de aanpak van de problemen is een sterke troef. En zo kan je met elkaar beter afstemmen op het gebied van nieuwbouw, bestaande bouw en de specifieke kansen en uitdagingen voor de toekomst die er zijn in elk gebied goed in beeld brengen. En kwaliteit toevoegen van de vraagzijde en meer evenwicht aanbrengen. Ideaal om de juiste woning op de juiste plek te krijgen. Ten Hag ziet wel een paar dergelijke Woonkeukens voor zich: Twentebreed, Deventerbreed, Zwollebreed, Vechtdal etc. Organisatorisch liefst met de provincie als facilitator, de trekker kan uit de markt komen. Écht een kans voor het Oosten, denkt de makelaar. Monique is content met dit idee, inderdaad past dit goed bij de regionale woongebieden en de regionale vraagstukken.

Tafel 2. Woningmarktontwikkelingen
Na een filmpje over Flexwonen, gaat de tweede tafel zich buigen over een aantal andere actuele onderwerpen. In gesprek over de laatste ontwikkelingen op de woningmarkt zoals de vele spoedzoekers die vragen om flexibele oplossingen. De laatste cijfers uit het onderzoek naar overloop uit de Randstad. En kunnen de tafelgasten reageren op een bijdrage van een econoom uit de financiële sector over de impact van Corona op de woningmarkt. Bovendien komt de menselijke kant van wonen aan bod; het langer zelfstandig thuiswonen vraagt om bewustwording van ouderen én organisaties.
 
Vanuit de digitale deelnemers stromen de vragen en opmerkingen binnen. Ze vragen zich af hoe we, naast het vele gepraat, de programmering nu eens echt gaan regelen, dat we gaan doorpakken; leidt al dat praten niet tot vertraging?

Sjors de Vries, procesbegeleider van de Regionale Woonagenda’s, begrijpt de aansporing. Het gesprek is nodig om elkaar te vinden en elkaar goed te leren verstaan, maar natuurlijk moeten er ook concreet zaken gerealiseerd worden. De markt heeft behoefte aan duidelijkheid. Volgens hem zitten we nu precies tussen praten en doen in. Het is echt een zoektocht, er wordt, zoals we eerder hoorden, vanuit stad en dorp verschillend gereageerd op zaken, onderwerpen als doorstroming en zorgvraagstukken moeten regionaal opgelost worden. Dat geldt ook voor flexwonen, dat gaat over beschikbaarheid van woningen, nieuwbouw en het toevoegen van nieuwe woonconcepten. En er zijn veel instrumenten inzetbaar om die doorstroming op gang te brengen, dat moet echt breed aangepakt worden, bijvoorbeeld via woonruimteverdeling, en daar zijn afspraken voor nodig, anders werkt het niet. Dus ja, praten moet wil je het goed doen. Maar dat hoeft niet per se te vertragen. Maak het dan wel concreet. De oplossing voor de duidelijkheid op de markt is niet dat je zorgt dat je zoveel mogelijk plancapaciteit hebt en flexibiliteit organiseert met het idee dat er dán gebouwd wordt. Het is juist beter focus te hebben op projecten die wél van de grond kunnen komen. Liever in één keer goed massa maken dan versplinterd inzetten en denken dat flexibilisering mogelijk meer oplevert.
Jan Peter van der Sluis, wethouder van gemeente Kampen, krijgt de vraag hoe hij de druk op de woningmarkt ervaart. Vanuit de Randstad is er geen tot nauwelijks instroom, wel merkt hij dat de druk meer veroorzaakt wordt door mensen uit de omliggende regionale steden. Vraag en aanbod zijn duidelijk uit balans. Voor spoedzoekers is het daardoor extra lastig. De Regio Zwolle is economisch heel sterk en heeft veel aantrekkingskracht. En dat is merkbaar voor Kampen. Mede door Corona verandert de vraag, thuiswerken heeft als neveneffect dat mensen een ruime en kwalitatief goede woning zoeken en dat kan best verder van het werk zijn. Dan ga je in andere gebieden zoeken, zoals rond Zwolle. Het is duidelijk, samen moeten we daar de versnelling maken, we moeten echt beginnen en aan de slag. Er is geen tijd meer voor praten en alles tot achter de komma regelen. De opgave is groot en hij is bereid om die handschoen in de Regio Zwolle gezamenlijk op te pakken.

Hester van Sprang, adviseur en vennoot van MeerWaarde Huisvestingadvies, heeft een andere invalshoek. Zij richt zich met name op ouderen. Als je kijkt naar flexwonen, veel ouderen zijn ook spoedzoeker omdat ze vaak te lang wachten voordat ze in actie komen om een passende woning te betrekken. Vaak stellen ze het uit tot het niet meer gaat. Flexibele oplossingen bieden dan mogelijkheden. De oproep van Jan Peter van der Sluis om aan de slag te gaan is Hester uit het hart gegrepen. Er komen steeds meer ouderen die ook nog eens steeds ouder worden, de dubbele vergrijzing heet dat. Daar moet echt wat voor gebeuren. Wel belangrijk daarbij is dat zorg en wonen in elkaars verlengde liggen en onlosmakelijk verbonden zijn. Te vaak zijn wonen en zorg nu nog gescheiden domeinen, terwijl dat in de praktijk gecombineerd nodig is, juist omdat we heel lang thuis blijven wonen. In Overijssel zal de vraag naar de voor die doelgroep geschikte woningen een sprong maken van 140.000 naar 210.000. Dat is een stevige opgave.

Carola de Groot, senior-econoom bij Rabobank Research Nederland geeft via een digitale verbinding haar kijk op de ontwikkelingen en uitdagingen op de woningmarkt, ook in relatie met Corona. Zij ziet steeds meer vraag naar voor ouderen geschikte woningen zonder zware zorg; er moet voor ouderen flink bijgebouwd worden, het gaat om 250.000 woningen extra. En dat is buiten de 850.000 woningen die er sowieso al bij moeten komen. De grootste uitdaging daarbij is om ze betaalbaar te houden, dat is echt een enorme opgave. De gemiddelde nieuwbouwwoning kost nu € 400.000, een ton meer dan de gemiddelde bestaande woning – allemaal onbetaalbaar voor de middeninkomens, daar zijn mensen niet mee geholpen. Daarnaast heeft Corona economisch veel gevolgen. De groei verschrompelt ongekend met 8,5%, de consument geeft minder uit en de werkloosheid stijgt met 32.000 mensen per maand – logisch dat het consumentenvertrouwen daalt. Een tijdelijke dip is onvermijdelijk. Haar tips voor Overijssel: 1) stop de stijging van de huizenprijzen, 2) voorkom dat de bouw stilvalt en 3) laat je niet afleiden door de economische dip.

Sjors ziet het omzetten van de harde plancapaciteit in woningen – volgens hem gaat het om zo’n 40.000 stuks – als antwoord daarop. Wel een gevaar ziet hij in de lage rentestand, waardoor woningen steeds meer een beleggingsobject worden. Als dat zo doorgaat dan zijn er wel 2 miljoen nodig in plaats van 1 miljoen. Er is dus nog geen sprake van een afnemende vraag. Jan Peter van der Sluis ziet op dit moment in Kampen ook geen dip door de enorme vraag en het kleine aanbod. Voor hem is dit een extra aansporing om ervoor te zorgen dat in alle sectoren de aantallen snel gehaald worden.

Een filmpje van Maria Walters van Lang zult u Wonen, waar ze inzoomt op de ouderen, brengt het gesprek met de tafelgasten opnieuw naar de wereld van de ouderen en de huisvesting daarvoor. Landelijk is het een groot vraagstuk, maar het is niet eenduidig. Hester van Sprang is duidelijk: er bestaat niet zoiets als ‘dé oudere’, ieder heeft zijn eigen motivatie en mogelijkheden. Er zijn zo’n vier categorieën ouderen te onderscheiden, die elk zijn eigen aanpak vergt. Maar de grote vraag is hoe je de ouderen in beweging krijgt, doorstroming is echt noodzakelijk om in de buurt van een oplossing te komen. Voor de Regionale Woonagenda’s ziet Hester 3 punten waar je zicht op moet hebben: 1) waar hebben we het lokaal over: welk type oudere en wat zijn de aantallen per wijk en gemeente, 2) mantelzorg is een grote pijler onder de ouderenzorginfrastructuur, daarmee is het een samenlevingszorg en 3) organiseer huisvesting binnen hun eigen wijk en gemeente, sluis ze niet weg naar elders, want dan zijn ze hun netwerk kwijt. Overall moet men zich er rekenschap van geven dat de zorg voor ouderen van ons als samenleving is en niet afgeschoven moet worden op zorginstellingen en dergelijke. Johan van der Sluis herkent het verhaal van Hester en ziet de doorstroom ook stagneren. Hij pleit er voor dat er zorg gegeven kan worden op de juiste plek, door een mix te maken van jonge gezinnen en ouderen, waar zij wederzijds van elkaar kunnen profiteren; het bij elkaar plaatsen van ouderen in een eigen wijk moet in ieder geval voorkomen worden.

En dan is er ook nog de groep met dementie en Alzheimer die leidt tot extra druk. Huisvesting alleen is geen oplossing, het is een maatschappelijk vraagstuk. Hester: denk dus niet alleen in stenen maar heb ook voor het sociale netwerk eromheen, bijvoorbeeld met oudervriendelijke wijken en heb oog voor inclusiviteit.
Sjors de Vries zegt dat ook hier het adagium ‘gewoon doen!’ is, je weet dat die trend er is, daar moet je in je programmering rekening mee houden: voor senioren, voor kleine huishoudens en inzetten op gemengd wonen dat bijvoorbeeld goed in de buurt van stations zou kunnen. De wethouder van Kampen is het daar mee eens, maar hij merkt wel dat de zorgaanbieders juist de neiging hebben om de zorg te clusteren vanuit efficiency-oogpunt. Dat moet tegengegaan worden, ouderen moeten midden in de samenleving blijven staan en de zorg moet eromheen georganiseerd worden, samen met het realiseren van leefbare buurten. Maar dan komt de betaalbaarheid om de hoek kijken. Dat is volgens Hester inderdaad een uitdaging. Immers, los van de kostprijs van nieuwbouw, de huur gaat vaak omhoog als je je woning verlaat, iets wat overigens ook geldt voor starters en zzp’ers. Alles bij elkaar is de ouderenhuisvesting een zeer complex onderwerp. Ga daarom uit van een paar principes om het eenvoudiger te maken: weet over wie je het hebt, lever zorg in reguliere woningen, bied courante, aantrekkelijke woningen aan voor kleine huishoudens (ouderen zijn niet anders dan starters wat dat betreft) en voorzie in een mix, anders gaat de vitaliteit eruit.
 
Afronding
Het is, na de twee gespreksrondes, tijd om af te sluiten. De behoefte is groot om nu echt aan de slag te gaan met het realiseren van de nodige woningen in samenhang met de in de komende tijd op te stellen Regionale Woonagenda’s. Aan Sjors de Vries de vraag wat daarbij helpt. Hij heeft een flink aantal punten. Het eerste is dat we tegen elkaar moeten zeggen – en blíjven zeggen – dat we het gewoon moeten gaan doen; dat lijkt paradoxaal, maar het is nodig, anders blijft het bij plannen maken met slechts een stip op de horizon. Daarnaast moet de harde plancapaciteit op korte termijn verwezenlijkt worden, dat kan gewoon. En dan, als derde, moeten we in Overijssel sleutelgebieden aanwijzen waar de opgaves kunnen landen. Het bidbook van Deventer kan als inspiratiebron dienen voor het invullen van de Regionale Woonagenda’s en daarmee laten zien welke keuzes zijn gemaakt waar zaken gerealiseerd kunnen worden. Ook moet er even goed gekeken worden of we wel voldoende woningen toevoegen in de stedelijke plannen in Deventer, Enschede en Zwolle. En het komt erop aan om nu echt keuzes te maken en dat moeten we doen, want dat brengt scherpte aan op essentiële punten. Maar vergeet ook niet aanspraak te maken op hulp van de provincie en maak gebruik van de flexpool – en natuurlijk moeten we direct Jeroen Hatenboer bellen op momenten dat zich problemen aandienen die schier onoplosbaar lijken, hij komt graag! Als laatste, de uitdagingen zijn groot, we moeten nú keuzes maken, het is boter bij de vis, we weten waar de behoefte is en het is de taak van de woonregio’s om nu te zeggen ‘we gaan zoveel procent realiseren in dit segment en zoveel in dat segment en we houden elkaar daaraan’, want dan kan de markt ook acteren.
 
Maar natuurlijk moet ook de winnaar van de pan nog bekendgemaakt worden. Het viel juryvoorzitter Marieke Mentink niet mee, ze had veel mooie Twentse plaatjes gezien. Er was er een bij die er voor Marieke met kop en schouders er bovenuit stak: veel stedelijke dynamiek met vrolijkheid en positiviteit met een draaiorgeltje op de achtergrond: dat symboliseert dat er nog heel veel kansen liggen als we doorpakken. En die uitstraling werd geleverd door Statenlid Dinand Leferink. Hij krijgt de pan per omgaande thuisgestuurd. Dinand maakt van de gelegenheid gebruik om een compliment te maken aan de Woonkeuken, het format waarvoor gekozen is in deze setting helpt hem enorm om als Statenlid een goed inkijkje te krijgen in de problematiek zoals die speelt in Overijssel. Dank daarvoor!

In haar hoedanigheid van directeur vastgoedontwikkeling bij Dura Vermeer wilde Marieke graag wat toevoegen aan het gesprek van vandaag. Ze beaamt dat het best wel complex is wat er allemaal speelt, de opgave is niet eenduidig, alles is met elkaar verbonden. Daarom pleit Marieke ervoor om het simpeler te maken om tot oplossingen te komen en vooral niet alles tegelijk te willen doen. Ze is gecharmeerd van het voorstel voor Regionale Woonkeukens, dat kan helpen. Maar vooral moet er meer gefocust worden op de programmering lokaal en laten we de harde plancapaciteit die er al is met elkaar verder gaan uitwerken. En op regionaal niveau kijken waar nieuwe plancapaciteit mogelijk is en die plekken aanwijzen, inventariseren wat daar nodig is en aan de slag gaan met een paar mensen. Niet blijven praten, maar het gewoon regionaal gaan doen. Dan creëer je de nodige voortgang.
 
Toine Heijmans heeft de eer om echt de laatste woorden tot de deelnemers te richten. Hij heeft gedurende de tafelsessies een column geschreven en draagt die vanachter zijn speciale columnistentafeltje voor. En natuurlijk heeft hij daarin een boodschap verpakt. Het gaat niet om grote woorden en pas op voor te groot denken, dat leidt nergens toe. Pak een paar goede ideeën en ga daarmee aan de slag. En bedenk, groot denken is klein denken. Dan komt het goed!

0  reacties

Cookie-instellingen